Buen Camino

De laatste dag van etappe 1. Het voelt heel raar, om de Camino te gaan verlaten. Rocroi is het einde van de Via Monastica, en het begin van de Via Campaniensis. Ik hou mezelf er de hele dag aan vast dat ik dus niet naar een eindpunt, maar naar het beginpunt van de volgende etappe loop. Dat voelt plezieriger. En ik ben er nog niet klaar mee, met het lopen van de Camino. Dat had natuurlijk ook gekund: dat ik er na 11 dagen genoeg van zou hebben. 

De route is niet bijzonder mooi deze dag. Ik begin een soort haatliefdeverhouding met bosbouwgebied te krijgen. Ik vind het indrukwekkend, al die hoge bomen die zo kaarsrecht omhoog groeien. Bomen schijnen met elkaar een ingewikkeld ecosysteem te hebben, waarin ze via hun wortels en via schimmelnetwerken stofjes en mogelijk zelfs informatie met elkaar uitwisselen. Maar echt bosbouwbos is ook saai, je hebt weinig uitzicht, en veel anders dan door de bomen het bos blijven zien kan je niet doen. Zo nu en dan loop ik daarom van het bewegwijzerde pad af en neem een andere weg. Dat heeft risico’s. Zo ben ik al een keertje geëindigd bij ondoordringbaar prikkeldraad, en weet ik inmiddels dat ik ook op hoogteverschillen moet letten bij het kaartlezen. Een vallei is niet altijd te overbruggen, en dan wordt het omlopen. Ik ben ook tamelijk braaf. Als er een bordje verboden toegang hangt, of als het pad door iemands tuin blijkt te lopen, dan draai ik vaak toch maar om. 

Soms loop ik anders omdat ik de logica achter de bewegwijzerde route niet begrijp. Dan gaat het pad niet langs dat kroegje waar een kop koffie lonkt, of wordt een mooi dorpscentrum overgeslagen. Of de route lift voor een stukje mee op een route van de Grandes Randonnees. Ik vermoed dan altijd een mooiere weg, maar weet inmiddels dat dat niet altijd zo is. En soms wijk ik ook af van het pad omdat ik nou eenmaal eigenwijs ben, of omdat het uitdagender is. De afgelopen dagen heb ik ook regelmatig alleen maar de Maas hoeven volgen, en dat is ondanks de steeds wisselende schoonheid van de rivier ook saai.  

Ik zeg steeds dat het onderweg zijn belangrijker is dan het doel. En dat is maar goed ook, want mijn voorlopige einddoel Rocroi is misschien wel een mooi vestingsstadje, maar ook grauw en uitgestorven. Dat valt een beetje tegen. Alles op mijn hotel na is dicht, en op straat hangen wat jongeren rond die zich duidelijk vervelen. Het hotel heeft een stevig vergane glorie gehalte, mijn kamer heeft betere tijden gekend, en naast mijn bed staan tissues. Ik vraag me maar niet af waarom. In de hotelbar ben ik de enige gast, de hoteleigenaar drinkt drie biertjes in de tijd dat ik er een drink. Ook in het restaurant ben ik de enige gast. Ik neem een hap van mijn verrassend lekkere voorgerecht, en dan komt er nog iemand binnen. Dat is grappig: dat lijkt wel de medepelgrim die ik gisteren, in het vorige dorp, voorbij zag komen. 

Ik besluit om hem aan te spreken, en we schuiven bij elkaar aan tafel. Dat is leuk, op de laatste dag van mijn etappe toch nog een ontmoeting met een andere pelerin. We wisselen spierpijntjes, routes en mooie momenten uit. Dit maakt de dag weer goed. Ik duik tevreden mijn bed in. Om twee uur word ik wakker. Ik wil naar huis en ik wil niet naar huis. Ik lig te woelen, uiteindelijk doe ik toch maar het licht aan en pak ik mijn telefoon. OK, actie. In de agenda de volgende etappe plannen: wanneer lukt het om weer twee weken vrij te plannen. Even checken of er treinen en flixbussen rijden naar mogelijke begin- en eindpunten. Zo, dat geeft al wat rust. En dan morgenochtend. Mijn man komt me halen, en we gaan samen de route terug rijden die ik gelopen heb. Daar kijk ik erg naar uit. Maar om nou in dit troosteloze oord de hele morgen op hem te wachten… Tot ik besef dat ik morgenochtend gewoon mijn rugzak om kan hangen en kan gaan. Ik ga gewoon de Camino weer op, en dan stuur ik mijn man een whatsappje waar hij me kan oppikken. 

Dat geeft rust. Ik doe het licht uit en val in een diepe slaap. En wat is het heerlijk om de volgende morgen weer op pad te gaan. Na een paar kilometer sta ik even stil om een foto te maken van het prachtige heuvellandschap. Ik kijk om en wie komt daar aan: mijn tafelgenoot van gisteren! Zo zorgt St. Jacques dat ik op de laatste dag ook nog ervaar hoe het is om samen met een andere pelgrim te lopen. Na al die dagen alleen lopen is dat best leuk. Zeker omdat deze man net als ik wel praat, maar ook stil kan zijn. Na 15 kilometer nemen we afscheid. Ik sla af naar links, hij loopt door naar Santiago. We wensen elkaar de pelgrimsgroet: Buen Camino!

Advertenties

Malgré tout

Vandaag was een pittig dagje. Ik had gedacht dat het elke dag beter zou worden, het lopen. Maar vandaag doen mijn kuiten, mijn knieën en mijn voeten pijn. En elke tiende, elfde stap laat één teen me weten er vandaag echt geen zin in te hebben. Ik neem wat extra pauze, maar dat helpt niet. Ik controleer mijn voeten: nee, geen blaren. Ik probeer wat rustiger te lopen, maar op de een of andere manier ga ik steeds in de overdrive en moet ik mezelf weer afremmen. Ik vind mezelf steeds zieliger. Al dagen alleen, nog amper medepelgrims tegengekomen, een rotstuk langs een doorgaande weg moeten lopen, dat hele Santiago de Compostela kan me gestolen worden.

Dan moet ik denken aan de eerste vakantie met mijn lieftallige echtgenoot. We gingen wandelen in een prachtige streek van Frankrijk, de Tarn. Manlief liep op zijn oude, verdroogde legerboots. Ik had mooie nieuwe wandelschoenen, waar ik bij wijze van inlopen ‘s avonds mee op de bank had gezeten. Je raad het al: de eerste dag twee blaren. Manlief had nergens last van. Op de laatste dag van onze route kon ik niet meer voor- of achteruit. Laat mij hier maar achter, zei ik tegen mijn man, en ik ging in de berm liggen. Op den duur moest ik natuurlijk toch weer opstaan. Want wat moet je anders, in de middle of nowhere.

Als je alleen bent is het een stuk lastiger om de drama queen uit te hangen. Dus ik ga een kroegje binnen, bestel een zwarte koffie, gooi twee paracetamolletjes naar binnen en spreek mezelf lief doch vermanend toe: Nou heb je al zo veel moois meegemaakt, en dan ga je nu een beetje zielig zitten doen? Kijk om je heen, je zit met een kop koffie warm binnen, in een beeldschoon dorpje, in een prachtige streek. De kroegeigenaar is aardig en vast een goed mens. Want hij heeft wel een gokkast staan, maar daar kan je niet gokverslaafd van raken. Want als je wint krijg je alleen een gratis consumptie. Je bent al halverwege de route voor vandaag. De zon schijnt. Je liep net door een straat die malgré tout heet, hoe grappig is dat. En hoezo is het nu opeens erg dat je alleen bent, dat wou je toch? En bovendien, je hoeft maar een foto op facebook te zetten en je krijgt leuke en lieve reacties van familie en vrienden. En hoezo geen andere pelgrims, je hebt toch Annetta ontmoet, die loopt met 20 kg, dat is pas zwaar (ik hoop dat ze inmiddels de helft gedumpt heeft, wat een last). En al die pelgrims online, dat is toch heel bijzonder. Zoals Imre, die ver voor je uit loopt, en die vraagt of je al binnen bent en je tips geeft voor onderweg.

OK, OK, zeg ik tegen mezelf. We gaan even doorbijten. Ik hijs mijn rugzak op, betaal de kroegbaas en loop naar buiten. De route wordt mooier, de pijn dankzij de paracetamol minder, en als ik bij het hotel kom waar ik wil slapen kan ik het zelfs hebben dat het gesloten is. Ik bel naar een adres in het volgende dorp, en ik ben welkom bij een soort jeugdherberg. Nog 3 mooie km extra doorbijten, en dan heb ik een bed, en in het dorp is een restaurant, en voor morgen een supermarktje en een bakker. En er is een kroeg, daar zit ik nu achter een pintje te schrijven. En wie weet loop ik morgen op met een medepelgrim. Want ik zag net een meneer met een jacobsschelp op zijn rugzak binnengaan bij het andere slaapadres in het dorp.

Onbaatzuchtig

Gisteren was ik te gast in de Abdij van Leffe. Ik had vooraf gebeld en ik was welkom. Een lieve meneer met een wit schort voor deed open. Na het aanhoren van mijn Franse gehaspel informeerde hij waar ik vandaan kwam, en behulpzaam schakelde hij over naar Nederlands. Als een Waal Nederlands spreekt klinkt dat heel charmant. Ik werd naar het gastenverblijf gebracht, en ondertussen vertelde hij dat in dit klooster Norbertijnen wonen. Norbertijnen zoeken de stilte en de verdieping, maar staan ook in de wereld, vaak doen ze buiten het klooster pastoraal werk.

Het gastenverblijf wordt helemaal opgeknapt. Dat had ik al gezien, want op het dak waren twee mannen nieuwe leisteen aan het leggen. Wat een vakwerk. Mijn gastheer glunderde helemaal toen hij me de douche liet zien: mooi he? Het was inderdaad mooi. Ik kreeg een fles bronwater toegestopt, en hij verontschuldigde zich: hij was aan het koken. En natuurlijk mocht ik ook eten in het klooster, en ik was welkom bij de Vespers.

Hoewel na het lopen elk warm waterstraaltje welkom is, was de douche niet alleen mooi maar ook echt heerlijk. Ik ging op weg naar de kerk, verdwaalde bijna in het klooster. Maar daar was mijn charmante gastheer weer. Ik stond achterin de kerk, en daar mocht ik ook gaan zitten, maar ik was ook welkom om bij de monniken te komen zitten. Dat vond ik heel bijzonder, want dan zit je aan de andere kant van het altaar. Omdat ik een beetje Frans sprak kreeg ik een psalmenboek, en de lintjes werden zorgvuldig bij de goede bladzijden gelegd zodat ik mee kon lezen.

Norbertijnen dragen gewone kleren, maar tijdens de diensten dragen ze witte gewaden. Daar zat ik dan, tussen deze indrukwekkend uitziende mannen die hun leven zo anders leven. Mijn gastheer had ik gevraagd hoe het was om hier te wonen. Hij was even stil, en toen ging hij stralen. Automatisch in het Frans overgaand zei hij: C’est comme un rève! Dat vond ik ook van de dienst. Ik begreep niet alles, maar wel dat het over liefde, hoop en goed doen ging. Ik herkende het Onze Vader, en opeens deed ik mee, met een brok in mijn keel. Soms kan ik ook verlangen naar een vader die over me waakt, en verlangen naar een geloof dat hoop geeft.

Na de Vespers werd ik, weer door mijn lieve gastheer, naar de gasteneetkamer gebracht. Het eten was een feestje. Niet in het minst door de aandacht waarmee het opgediend was, het zacht sluiten van de deur zodat ik rustig kon eten en het takje forsythia op de schouw. Wat een heerlijke plek om te gast te mogen zijn.

Het raakt me enorm, dat er onderweg naar Santiago de Compostela zoveel mensen langs de route onbaatzuchtig pelgrims opvangen, een maaltijd, aandacht en een bed geven, en er niets of een schijntje voor terug vragen. In de abdij van Leffe bepaal je zelf je “donativo”. Ik stop vandaag bij vertrek wat extra’s in het potje. Ter compensatie voor pelgrims die het minder hebben dan ik. Maar ook omdat ik het moeilijk vind om al die lieve aandacht zomaar te aanvaarden. Twee mooie thema’s voor de wandeling van vandaag: hoe onbaatzuchtig ben ik zelf, en waarom is hulp en liefde aanvaarden soms ook moeilijk.

Mijn gastheer loopt met me mee naar de voordeur. Ook het afscheid gaat met aandacht: een lieve glimlach en een warme handdruk. De deur wordt zachtjes achter me gesloten, en ik ga weer op pad.

Verdingelijken en vermenselijken

In organisaties worden mensen vaak verdingelijkt. Ze worden productiemiddelen, Human Resources, handen aan het bed. Dat laatste vind ik echt een nare uitdrukking. Over het algemeen ligt er in dat bed een mens. En een verzorgende die met haar handen werkt maar haar hart en haar hoofd thuislaat? Dat lijkt me gevaarlijk en onplezierig. Een nare variant van verdingelijken vind ik de “vlootschouw” die sommige organisaties doen. Dan worden de medewerkers in drie categorieën verdeeld: voldoet wel, voldoet niet, kan zich ontwikkelen. Het laat zich raden wat er met “voldoet niet” moet gebeuren.

Ik doe op reis een beetje het omgekeerde. Ik vermenselijk de spullen in mijn rugzak. Mijn telefoon is mijn metgezel, mijn wandelstok mijn steun en toeverlaat, mijn nachtjapon is lief (geen wonder, want als ik haar aanheb mogen mijn benen eindelijk rusten), mijn tentje mijn mogelijkmaker. Mijn rugzak ligt nu op mijn slaapplek, en ik voel me onrustig, want we zijn nu al zoveel dagen samen dat ik hem mis als hij er niet is.

Nu deze etappe bijna ten einde is doe ik ook een vlootschouw. Wat gaat volgende keer mee, en wat niet? Ik ben eigenlijk best wel blij met de inhoud van mijn rugzak. En dat is geen wonder, want als voorpret heb ik heel wat avonden YouTube filmpjes gekeken over paklijsten, “ultralight gear” en hoe je dat allemaal handig in je rugzak krijgt. Misschien neem ik volgende keer een broek minder mee. En toch iets om uit te drinken, want een glaasje wijn uit een titanium pannetje smaakt echt smerig. En wijn uit de waterfles, dat voelt ook niet helemaal ok. En een nieuwe grote sjaal. Want ik heb mijn prachtige blauwe pareo ergens laten liggen. Ik ben nog steeds in de rouw.

Het leven is niet altijd rozengeur en maneschijn

Vandaag ben ik aangekomen in Namur. Daar komen twee pelgrimspaden samen, en ik ontmoette voor het eerst een andere pelgrim, heel leuk. Het is tot nu toe fantastisch, onderweg zijn. Maar ik vind het wel terecht om ook de mindere momenten te delen. Ik sta elke dag op als een oude vrouw: stram en stijf. Als ik mijn rugzak ‘s morgens op mijn heupen hijs en als na 5 minuten de stijfheid uit mijn gewrichten is gelopen, dan voel ik me fantastisch. De rugzak lijkt steeds minder te wegen, ik voel dat ik echt fitter ben dan gisteren. Dit duurt meestal 20 minuten. Daarna wordt de rugzak elk uur een kilo zwaarder. En dan begint er ergens een pijntje. De knokkel op mijn linkervoet. Mijn rechterknie. Mijn heupen. Mijn rechterschouder. En dan mijn andere knie. En het gekke is: soms zijn die pijntjes opeens weer weg. Maar dan komt er altijd een andere voor in de plaats. Als ik ‘s middags op de bestemming ben moet ik niet langer dan een half uur in een bepaalde houding zitten. Want anders duurt het weer 5 minuten om uit die houding te komen. Kortom: het lijf laat weten toch echt nog niet gewend te zijn aan 25 km per dag.

Er gaat ook regelmatig iets mis. Ik heb al twee keer in mijn eigen duim gesneden met mijn duidelijk heel scherpe zakmes. Vandaag kreeg ik weer mijn houtvuurtje niet goed aan, en toen het water eindelijk heet was verknoeide ik het door de koffie veel te sterk te maken. En omdat ik in de rook zat ruik ik nu al uren naar kampvuur. Twee dagen geleden vergat ik vers water mee te nemen. Bij de boeddhisten dronk ik water uit de kraan waar nadrukkelijk bij stond dat het geen drinkwater was. In deze tijd van het jaar kan je wel achter een bosje plassen maar ziet iedereen je zitten omdat er nog geen blaadjes aan de struiken zitten. Met als gevolg dat ik regelmatig met een volle blaas loop, omdat ik niets zo gênant vind als hurkend met blote billen gespot worden. Vanmorgen heb ik zonder nadenken 4 euro betaald voor een klein bladerdeegdingetje bij een onaardig mens in een boulangerie, terwijl die hier echt nooit zo duur zijn. Ik vermoed kwade opzet. En dat vind ik dan weer lelijk gedacht, als pelgrim.

En tenslotte ben ik ook wel eens bang. Ik heb met hoogtevrees van boom naar boom gelopen op een heuvelrug. Ik liep langs een bos waar jongemannen in militaire kloffies met sjaaltjes voor hun gezicht naar elkaar liepen te schieten met mitrailleurs. Ik vermoedde een geheim oefenkamp voor Syriëgangers, en een van hen zag me kijken! Toen ik schichtig nog een keer goed keek bleken de mitrailleurs plastic nepwapens te zijn. Gisteren hoorde ik een soort geknor in het bos. Een zwijn?! Net daarna flitste er iets bruins langs me heen. Het bleek een jogger te zijn. Vandaag opnieuw mitrailleurgeluiden uit het bos. Veel harder en echter dan die vorige keer. Ik schrok enorm: nu dan toch? Ik heb het even gegoogled: die Walen houden blijkbaar enorm van oorlogje spelen, in het bos lag een kasteel dat schietevenementen organiseert.

En tenslotte: iedereen waarschuwt altijd dat je oordoppen mee moet nemen omdat op slaapzalen iedereen snurkt. Tot nu toe schaam ik me vooral diep dat ik niet voor ánderen oordoppen heb meegenomen. Ik snurk zelf.

Paradijsvogels

Toen ik voor GGZ Friesland werkte leerde ik de term Paradijsvogels kennen. In Friesland wonen er paradijsvogels, maar eigenlijk wonen ze overal wel. Het zijn mensen die anders zijn en leven. Sommige hulpverleners vinden dat ze hulp nodig hebben, omdat ze eenzaam zijn of niet goed voor zichzelf zorgen. En soms is dat zo. Maar paradijsvogels denken daar zelf vaak heel anders over. Je kan best een enorme troep in je huis hebben en twintig katten, je haar niet wassen en toch een prettig leven leiden. Het is fijn als ze ergens wonen waar andere mensen niet gaan piepen over het lawaai, of de troep in de tuin. Want anders staan die hulpverleners toch op de stoep. Hier in België wonen ze ook, paradijsvogels. En ruimte is er genoeg. Vandaag liep ik langs een half ingestort huis dat toch bewoond was. En langs een boerderij waar een scheefgegroeide meneer in overall aan het rommelen was tussen een lading roestende landbouwwerktuigen waar een oudijzerhandelaar een jaaromzet vandaan zou kunnen halen. En gisteren sliep ik er bij een.

Ik had bedacht om na alle bijzondere overnachtingen een keer een “gewone” b&b te doen. Een avond geen andere mensen en een eigen kamer. Het was even zoeken naar het juiste adres. Tot twee keer toe stond ik hoopvol voor een prachtig opgeknapt traditioneel huis, maar helaas. Het derde huis was ook prachtig, maar ik werd een beetje afgeleid door de roestende oldtimers en caravans in de tuin. Geen bel, de deur dicht, ik aarzelde: gewoon naar binnen lopen of even bellen. Gelukkig kwam de eigenaar naar buiten, in een trui waar de motten ook al veel plezier aan hadden beleefd. Een Vlaming, leuk, na dagen Frans praten.

Hij brengt me naar mijn kamer, die brandschoon is en leuk. Of ik ook thee wil, vraagt hij, en of ik dan niet op de rommel wil letten. We lopen een soort donkere zolder op waar al vier andere mensen zitten. Ik let natuurlijk wel op de rommel. En het ís een rommel. We schudden handen, maar wie wie is en hoe de verhoudingen zijn, geen idee. Ik krijg een stoel, een stuk versgebakken taart en een mok thee, en midden in de rommel zijn we binnen 5 minuten druk in gesprek over de kanalisering van de Maas, over de verschillen tussen Belgen en Nederlanders en over of er goede managers bestaan. Na een half uur ben ik blijkbaar goedgekeurd en wordt me uitgelegd dat ik aan tafel zit met de eigenaar van de b&b, zijn zus, haar partner en een neef en dan komt ook de vrouw van de neef met hun veertien maanden oude schatje binnen, Capucineke. We gaan samen op jacht naar kikkerdril in de vijver voor Capucineke, zodat ze dit voorjaar kan zien hoe kikkertjes groeien. We halen het kikkerdril uit iets dat er uitziet als een zwemvijver in de tuin die vermoedelijk al een jaar of wat in wording is, en dat voorlopig ook wel zal blijven. Er staat een pipowagen naast die ook betere tijden heeft gekend, en een caravan waar ik niet naar binnen durf te kijken. Ik kijk liever naar de schaapjes, waarvan ik inmiddels weet dat ze morgen geschoren en ontwormd worden. Maar dat dat eigenlijk weinig zin heeft omdat stroomopwaarts aan de beek een boer woont die zijn schapen nooit ontwormt. Als de familie uiteindelijk vertrokken is zit ik met de eigenaar beneden, in een soort kroeg. We zitten tussen stapels boeken en eierdozen met zaailingen van een buurjongen. Ik informeer voorzichtig of het hennep is, het antwoord blijft wat vaag. Wel staan er twee blauwe vaten voor het stoken van alcohol. Maar met stoken zijn ze gestopt, want ze drinken zelf geen alcohol en de gasten die het vroeger op kwamen drinken waren op den duur niet zo gezellig meer. Ik krijg les in het maken van bier en krijg een Gueuze voorgezet. Bij de eerste slok twijfel ik of ik moet melden dat dit bier niet goed meer is. Maar het friszure is eigenlijk best lekker, en hoort, dit bier wordt niet gebrouwen maar ontstaat min of meer vanzelf met natuurlijke gisten uit de lucht. Ondertussen loopt er een man naar binnen die ook een paar biertjes opentrekt, maar genegeerd wordt door de eigenaar. Hij spreekt onsamenhangend Frans, en ik vermoed dat hij die dag al aardig wat biertjes gehad heeft en/of Korsakoff heeft. Hier zou wat hulp misschien toch op zijn plaats zijn. De eigenaar blijft stug Vlaams met me praten en na twee biertjes en een verward verhaal over hoe je goede frites bakt, Franse kippen en iets met keramiek vertrekt de buurman weer. We wisselen wat recepten uit voor zuurkool, bespreken wat lekkerder is, de Libanese of de Egyptische keuken, of de Senegalese, of de Duitse. En om half negen informeer ik voorzichtig hoe laat we eten. Gelukkig heeft de vrouw des huizes, die een weekend naar haar ouders is, wat achtergelaten dat met zorg en aandacht wordt opgewarmd: heerlijke kalfsgehaktballen met rijst en linzen. Ik krijg er een wit wijntje bij. Want we drinken geen alcohol maar wel wijn en bier. Ik duik moe en voldaan mijn bed in. Om een uur word ik wakker van een enorme brandlucht. Ik check buiten en op de gang, daar is niets aan de hand. Dan stopt er een auto voor het huis, er komt iemand binnen die deuren opent en sluit en daarna wordt het weer stil. Ik besluit dat het dan vermoedelijk de houtkachel is die uitgaat, doe mijn raam dicht en val weer in slaap. De volgende morgen na een ontbijtje vertrek ik weer. Ik heb hier een bont gezelschap van paradijsvogels ontmoet. Mensen die hun leven net een beetje anders leven. En me daarin open, warm en nieuwsgierig hebben opgenomen. Het was weer een bijzondere dag.

Over zorgen en hoop

Veel mensen vragen waarom ik naar Santiago wil. Ik weet het eigenlijk niet zo goed. Ik hou van wandelen, en ik hou van onderweg zijn. Ik vind het prettig om af en toe alleen te zijn. Ik denk graag en dat kan ik goed als ik wandel. En ik hou er van om te observeren wat er om me heen gebeurt. Gelovig ben ik niet, maar ik geloof wel dat de paden naar Santiago een bijzondere energie hebben. Al eeuwen lopen er mensen met een doel, en dat doel is meestal groter dan aankomen in Santiago. Misschien blijft daarvan wel iets hangen. En het is leuk om na te denken over hoe mensen vroeger reisden, in een tijd zonder telefoons, gidsjes en gps. En dat ik in hun voetsporen loop.

Maar ik ben ook op pad omdat ik het soms ingewikkeld en verdrietig vind, wat er gebeurt in de wereld. Ik word naar van de populisten die het steeds meer voor het zeggen hebben in de wereld. En ik word verdrietig dat steeds meer mensen op hen stemmen. Ik word misselijk van mensen die zeggen dat we in Europa zo’n superieure cultuur hebben. Ik word wanhopig van journalisten die niet doorvragen en doorwroeten. En ik word boos als mensen niet doordenken of geen verantwoordelijkheid nemen. En ik dacht: misschien ga ik op deze tocht zoveel moois en mooie mensen tegen komen dat ik hoop blijf houden. Hoop dat we uiteindelijk als mensen het goede doen samen.

Gisteren sliep ik in de parochie van St Severin, en ik mocht bij de mevrouw van de boerderij er naast eten. Koeien heeft ze niet meer, na het overlijden van haar man heeft ze de stallen verkocht, ze zijn verbouwd en er wonen nu gezinnen. Eens in de zoveel tijd eten ze samen aan lange tafels op de cour, want het is belangrijk om een gemeenschap te zijn. Elke dinsdag bakt ze bij de lokale bakker taarten en brood met mensen die “fragiel” ziin, psychisch of verstandelijk, al 40 jaar. Ze zegt: ze bedanken me dat ik dat doe, maar ik moet hen bedanken, zo fijn hebben we het samen, en ik leer er zo veel van. Elke dag stelt ze haar huis open voor pelgrims op weg naar Santiago de Compostella. Ze kookt ze een driegangendiner, en ondertussen heeft ze ook nog lieve aandacht. En elke week komt ze met een groepje bij elkaar om te bidden in die prachtige sobere kerk waar ze naast woont. Ook voor de pelgrims, zegt ze met een lieve lach.

Vandaag slaap ik in een boeddhistisch centrum, een prachtige plek. In het zonnetje op de binnenplaats spreekt een Belg me aan. Dat het toch erg is wat er gebeurd is met de verkiezingen in Nederland. Dat dat erger is dan de politieke situatie in België, gevaarlijker ook. En ik hoop zo dat hij geen gelijk heeft. Maar het sterkt me dat hij ook denkt dat het anders moet en kan. En dat ik vanavond met wildvreemde mensen als deze Belg mooie gesprekken heb over het leven en de liefde, dat is heerlijk. En ook weer hoopgevend.

Mijn Nederlandse tafelgenoot tijdens de avondmaaltijd geeft me nog een wijze raad. Hij zegt: wat helpt het als jij je druk maakt over de wereld? Doe wat jij kan doen. En ben wie jij bent. Ik weet niet of dat de leer van Boeddha is, ik weet er te weinig van af. Maar het is een fijne gedachte om de nacht mee in te gaan. Ik slaap met 5 jonge boeddhistische dames op zaal. Na alle diepe gedachten van vandaag denk ik nu maar een ding: ik hoop dat ik niet te hard snurk vannacht!